Wat zijn anti-nutritionele factoren?
Anti-nutritionele factoren (ANF's) zijn stoffen die van nature voorkomen in grondstoffen en die de vertering, absorptie of benutting van nutriënten door dieren kunnen verstoren. Voedergrondstoffen bevatten naast nutritionele componenten ook van nature stoffen die de vertering, opname en gezondheid van uw dieren negatief kunnen beïnvloeden. Deze stoffen staan bekend als antinutritionele factoren (ANF's). Ze kunnen verschillende negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid en prestaties van dieren, waaronder een verminderde groeisnelheid, een verzwakt immuunsysteem en een lagere voerefficiëntie.
Bekende anti-nutritionele factoren zijn:
- Fytaten
- ß-mannanen
- Arabinoxylanen
- ß-glucanen
Waarom moeten anti-nutritionele factoren worden behandeld?
Stel u voor dat het lichaam van uw kip of varken een stevige muur is die wordt opgebouwd. De nutriënten in het voer zijn de hoogwaardige bakstenen, en het cement dat ze optimaal verbindt, staat voor de verteerbaarheid en opname van deze voedingsstoffen. Antinutritionele Factoren (ANF's) zijn als onzuiverheden in dit cement of verborgen zwakke plekken in de bakstenen zelf.
Ze zorgen ervoor dat een baksteen die er op het oog goed uitziet, bij gebruik toch minder stevig blijkt dan verwacht. Deze zwakheden in de baksteen of het cement verminderen de hechting en stabiliteit van de muur. Het is alsof er bijna een tweede muur nodig is om de constructie te ondersteunen, of om deze zwakke plekken te 'repareren'. Dit kost dus extra energie die nu niet langer gebruikt kan worden om een muur te bouwen die de gewenste hoogte en sterkte bereikt. Met andere woorden: er wordt energie verspild aan het omgaan met deze onzuiverheden, waardoor de muur zijn volledige bouwpotentieel niet kan benutten.
Wanneer we deze onzuiverheden of zwakke plekken in het cement en de bakstenen bestrijden met de juiste aanpak, wordt het cement en/of de baksteen sterker, en daarmee ook de hele structuur van de muur. Hierdoor is er niet langer een tweede, ondersteunende muur nodig, wordt er minder energie verspild en kan het bouwpotentieel optimaal worden benut.
Zo zijn de ANFs in het voer gelijk aan die zwakheden in het cement en/of bakstenen waardoor het dier niet zijn volledige genetisch potentieel kan behalen.
In diervoeding gebruiken we specifieke enzymen zoals fytase en xylanase om de impact van ANF's te beperken. De toevoeging van ß-mannanase kan verder helpen bij het verminderen van de invloed van de anti-nutritionele factor ß-mannanen, wat leidt tot beter benutten van het voer.
Waarom zijn ß-mannanen anti-nutritionele factoren?
ß-Mannanen (bekend als ß-galactomannan, ß-galactoglucomannan en ß-glucomannan) zijn moeilijk verteerbare vezels die in de meeste plantaardige grondstoffen voorkomen. ß-mannanen worden tijdens het verwerkings- en verhittingsproces (zoals pelletiseren) niet vernietigd. Het probleem is dat het immuunsysteem van een dier deze vezels ten onrechte aanziet voor een ziekteverwekker. Dit komt doordat veel pathogenen worden herkend aan hun mannose-structuur, en ß-mannanen nagenoeg dezelfde structuur hebben. Het resultaat is een onnodige onstekingsreactie die niet alleen de darmgezondheid kan schaden maar ook energie kost, ook wel bekend als een feed induced immuneresponse (FIIR). FIIR veroorzaakt darmontstekingen en kost doorgaans 3% van de voerenergie (90 kcal/kg ME of 63 kcal/kg NE).1-5
Energie en andere nutriënten die normaal voor groei zouden worden gebruikt, gaan in plaats daarvan naar de ondersteuning van de aangeboren immuunrespons.
Waarom moeten ß-mannanen worden behandeld?
De gevolgcascade van een FIIR:
De onnodige immuunrespons (FIIR) die ß-mannanen triggeren, zet een hele cascade van gebeurtenissen in gang die diepgaande negatieve gevolgen heeft voor het metabolisme en de uiteindelijke de efficiëntie van het dier:
- Ontstekingsreactie2
- De ß-mannanen triggeren een ontstekingsreactie, zo’n ontstekingsreactie heeft effect op de darmintegriteit naast dat het een energie kostend proces is. Het is als een constant intern alarm waar onnodig energie verloren gaat en de integriteit van de darmwand aantast.
- Verlaging van IGF-1 en insuline3,7
- Deze hormonen zijn cruciaal voor groei (anabolisme) en de opname van voedingsstoffen in spieren en weefsels. Een daling hiervan betekent dat het lichaam minder efficiënt voedingsstoffen omzet in groei en dat er sneller afbraak kan plaatsvinden (catabolisme). Dit vertraagt de groei direct.
- Verminderde vertering en absorptie van nutriënten 5,7-9
- Door de ontstekingsreactie kan de darmintegriteit verminderen en kan dit leiden tot een slechtere benutting van het voer; minder voedingsstoffen komen in de bloedbaan terecht om het dier te voeden, wat essentieel is voor groei en gezondheid.
- Verminderde aanzet (depositie) van nutriënten 2
- Zelfs de nutriënten die wel worden opgenomen, worden niet optimaal gebruikt voor groei. Een groter deel wordt omgeleid naar de immuunrespons en herstelprocessen, in plaats van naar groei.
- Lagere stikstofretentie10
- Dit is een directe indicator van de efficiëntie waarmee eiwit wordt omgezet in lichaamsweefsel (spiergroei). Een lagere retentie betekent minder effectieve eiwitbenutting en dus minder spiergroei, wat de kwaliteit en kwantiteit van het eindproduct beïnvloedt.
- Verminderde waterabsorptie10
- Een verstoorde darmfunctie door ontsteking kan ook leiden tot een verminderde wateropname. Dit kan bijdragen aan nattere mest en een verhoogde visceuze massa in de darm, wat de absorptie verder bemoeilijkt, de hygiëne in de stal aantast en de kans op secundaire infecties vergroot.
Deze opeenvolging van gebeurtenissen verklaart waarom ß-mannanen zo'n significante negatieve impact kunnen hebben op de darmen en metabolisme van het dier.

Samenvattend ß-mannanen beïnvloeden de benutting van nutriënten primair door hun impact op de viscositeit van de voedselbrij, het negatief beïnvloeden van de darmintegriteit (waardoor opname bemoeilijkt wordt) en de stimulatie van een onnodige immuunrespons (FIIR) die de algemene gezondheid en efficiëntie van het dier aantast. Deze factoren maken ß-mannanen tot een relevante Antinutritionele Factor (ANF), vooral bij monogastrische dieren zoals pluimvee en varkens, die geen eigen enzymen bezitten om deze vezels af te breken.
In de moderne veehouderij is het optimaliseren van de voerefficiëntie een topprioriteit.Hoewel de meeste voeders wel het effect van de ANF fytaat aanpakt door fytase enzymen te gebruiken, wordt een aanzienlijke kans om de prestaties te verbeteren vaak over het hoofd gezien: Het aanpakken van jof afbreken van ß-mannanen. Ondanks dat de gehaltes van ß-mannanen in het voer gemiddeld ongeveer 3150 ppm bereiken — aanzienlijk hoger dan de 2400 ppm die gewoonlijk voor fytaten wordt gevonden — worden ze vaak niet afgebroken. Door een ß-mannanase op te nemen in je voer naast fytase, kun je deze anti-nutritionele factoren effectiever neutraliseren en ervoor zorgen dat het dierzijn volledige potentieel bereikt.
Probleem | Oplossing | Typisch voedingsniveau (ppm) |
ß-glucanen | Glucanase | 3600 |
Arabinoxylanen | Xylanase | 3600 |
Fytaten | Fytase | 2400 |
ß-mannanen | ß-mannanase | 3150 |
Het probleem met ß-mannanen
ß-mannanen veroorzaken een natuurlijke, maar kostbare reeks gebeurtenissen in een dier, die een door voeding geïnduceerde immuunrespons (FIIR) wordt genoemd:

Het aangeboren immuunsysteem van dieren herkent ß-mannanen ten onrechte als een potentieel ziekteverwekkende pathogeen en reageert om zichzelf tegen de vermeende bedreiging te beschermen. Het moleculaire patroon van ß-mannanen lijkt op dat van sommige micro-organismen.

Deze natuurlijke, maar onnodige immuunrespons
- Verbruikt energie
- Veroorzaakt ontstekingen
- Heeft een negatieve invloed op de integriteit van de darmen
- Vermindert de opname van voedingsstoffen
- Heeft een negatieve invloed op het energiemetabolisme

Dieren moeten meer worden gevoerd om deze verliezen te compenseren.
Zelfs kleine hoeveelheden ß-mannanen (slechts 0,2%) veroorzaken deze reactie.
- Gabler, N. and Spurlock, M. 2008. “Integrating the immune system with the regulation of growth and efficiency.” J. Anim. Sci. 86: E64-E74
- Spurlock, M. 1997. “Regulation of metabolism and growth during immune challenge: an overview of cytokine function.” J. Anim. Sci. 75: 1773-1783.
- Leeds, A. and Kang, S. 1980. “The pig as a model for studies on the mode of action of guar gum in normal and diabetic man.” Proc. Nutrition Society. 44A.
- Nunes, C. and Malmlöf, K. 1992. “Effects of guar gum and cellulose on glucose absorption, hormonal release and hepatic metabolism in the pig.” Brit. J. Nutr. 68: 693-700.
- Ikegami, S., Tsuchihashi, F., Harada, H. et al. 1990. “Effect of Viscous Indigestible Polysaccharides on Pancreatic-Biliary Secretion and Digestive Organs in Rats.” Journ. of Nutrition. 120: 353-360.
- Klasing, K. 2007. “Nutrition and the immune system.” Br. Poult. Sci. 48(5): 525-537.
- Nunes, C. and Malmlöf, K. 1992. “Effects of guar gum and cellulose on glucose absorption, hormonal release and hepatic metabolism in the pig.” Brit. J. Nutr. 68: 693-700.
- Radcliffe, J.S., Robbins, B. C., Rice, J. P.Pleasant, R. S. and Kornegay, E. T. 1999. “The effects of HemicellÒ on digestibilities of minerals, energy, and amino acids in pigs fitted with steered ileo-cecal valve cannulas and fed a low and high protein corn-soybean meal diet.” J. Anim. Sci. 77 (Suppl. 1):197.
- Owusu-Asiedu, A., Patience, J., Laarveld, B. et al. 2006. “Effects of guar gum and cellulose on digesta passage rate, ileal microbial populations, energy and protein digestibility, and performance of grower pigs.” J. Anim. Sci. 84: 843-852.
- Saki A.A., Matzugi M.T., and Kamyab A. 2005. “Effect of Mannanase on Broiler Performance, Illeal and In-vitro Protein Digestibility, Uric Acid, and Litter Moisture in Broiler Feeding.”
